Cholesterol : vetachtige stof in het bloed en in verschillende weefsels.
Cholesterol komt voor in de voeding (vetten). Het lichaam maakt ook zelf cholesterol en heeft er ook behoefte aan. Een teveel aan cholesterol kan zich hechten aan de vaatwanden, waardoor een groter risico bestaat op hart- en vaatziekten.
Chronisch : gedurende lange tijd aanwezig. Diabetes is een chronische ziekte.
Coma : toestand van bewusteloosheid. Kan worden veroorzaakt door een te laag of een zeer hoog glucosegehalte van het bloed.
Cornea : hoornvlies (oog).
Cortisol : hormoon uit de bijnierschors. Verhoogt de bloedglucosewaarde.
C-peptide : stof die door de alvleesklier in even grote hoeveelheden als insuline aan het bloed wordt afgegeven. Door het c-peptide gehalte te bepalen kan worden gecontroleerd hoeveel insuline door het lichaam wordt gemaakt. Uit dit gehalte blijkt of iemand met insuline moet worden behandeld of niet.
Creatinine : stof die ontstaat bij de spierafbraak. Door bepaling van het
creatinine-gehalte in het bloed en de urine kan onderzocht worden of de nieren goed functioneren. Dit wordt de creatinine clearence genoemd.
Cyclamaat : kunstmatige zoetstof. Wordt gebruikt in plaats van suiker.
Dageraad of Dawn-fenomeen : het oplopen van de bloedsuikerwaarden in de vroege ochtenduren, ondanks een constante insuline-hoeveelheid in het bloed. Het lichaam maakt dan meer bloedglucose aan (uit de lever), dan nodig is.
Dehydratie : tekort aan lichaamsvocht. Het hebben van een te hoog bloedsuikergehalte in het bloed veroorzaakt een groot verlies van vocht en suiker in de urine.
Dendritische cellen : voor het afweersysteem belangrijke spioncellen.
Dextrose : glucose (suiker) in het bloed. De belangrijkste energiebron van het lichaam.
Diabeet : een persoon met diabetes (suikerziekte).
Diabetes : er zijn twee typen diabetes,1 en 2 (zie type 1 en type 2). Zie ook: Wat is diabetes?
Diabetes dagboek : een Diabetes dagboek wordt gebruikt om de gevonden bloedsuikerwaarden, de hoeveelheid gespoten en soorten insuline en eventuele bijzonderheden, zoals bijvoorbeeld ziekte, te veel eten, extra beweging e.d., in op te schrijven. Een goed hulpmiddel bij het overleg met de arts of diabetesverpleegkundige.
Diabetes gravidarum : zie zwangerschapsdiabetes.
Diabetes insipidus : Dit is géén diabetes mellitus (suikerziekte). Het wordt ook wel water-diabetes genoemd. Oorzaak en behandeliing verschillen enorm. Diabetes betekent doorstroming. Verschillende symptomen zijn gelijk aan die van diabetes mellitus.
Patiënten met diabetes insipidus hebben een enorme grote productie van urine, zijn dorstig en hongerig en tonen zwakteverschijnselen.
Diabetes mellitus : betekent letterlijk 'honingzoete doorstroming'. Diabetes is een energiestofwisselingsstoornis, veroorzaakt door een tekort aan het hormoon insuline of door een storing in de doelorganen. Zie ook de pagina: Wat is diabetes?
Diabetespas : een 'paspoort' waarin de arts de gevonden waarden bij het periodieke en jaarlijkse onderzoek noteert en waarin alle te verrichten onderzoeken staan vermeld. Een hulpmiddel voor de diabeet en arts. Zie ook De Diabetespas.
Diabetogeen : diabetes veroorzakend. Sommige geneesmiddelen en virussen kunnen
diabetogeen zijn.
Diabetoloog : een internist, gespecialiseerd in het onderzoek naar en de behandeling van diabetes.
Diureticum : een medicament dat ervoor zorgt dat extra vocht uit het lichaam wordt verwijderd; plastablet. Wordt gebruikt bij de behandeling van hoge bloeddruk en oedemen.
Di-sacchariden : koolhydraten, bestaande uit 2 deeltjes, bijvoorbeeld één deeltje glucose en één deeltje
fructose.
DNA : erfelijk materiaal dat in alle dierlijke- en plantaardige cellen aanwezig is en dat de cellen opdracht geeft hoe te functioneren en wanneer.
DVN : Diabetesvereniging Nederland.
Zie ook bij onderwerp DVN.
Eenheid : internationaal vastgestelde basishoeveelheid insuline. In Nederland wordt voor mensen gebruikt 100IE per ml. Dat wil zeggen: 100 eenheden insuline per milliliter (cc) oplossing.
Insuline voor dieren kent een concentratie van 40IE per milliliter.
Eilandjes van Langerhans : groepen cellen in de pancreas of alvleesklier. Bevat o.a. de bèta-cellen in de alvleesklier en ook cellen die glucagon maken.
Deze hormonen beïnvloeden de afbraak en opname van voedingsstoffen. De eilandjes zijn ontdekt in 1869 ontdekt door de Duitser Langerhans. De cellen vormen kleine groepjes in de alvleesklier.
Eiwitten : voedingsstof die in het lichaam tot brandstof en 'reparatiemateriaal' wordt verwerkt. Eiwitten zitten onder andere in zuivel, vlees en vis.
Encapsulatie : het inkapselen, dus voorzien van een kapseltje.
Endocriene klieren : klieren die hormonen produceren en in de bloedbaan brengen. Zij beïnvloeden o.a. de werking van de voedingsstoffen door het lichaam. Ook andere lichaamsfuncties worden beïnvloed. De alvleesklier is een voorbeeld van een endocriene klier. Deze produceert insuline, waarmee het lichaam glucose kan omzetten in energie.
Enzymen : eiwitten die de chemische processen in het lichaam beter en sneller doen verlopen. Ieder enzym heeft als regel een eigen chemische taak, bijvoorbeeld het bevorderen van de omzetting van zetmeel in glucose.
Euglycemie : toestand waarbij het glucosegehalte in het bloed normaal is (=
normoglycemie).
Exocrien weefsel : weefsel in de pancreas dat spijsverteringssappen maakt.
Fructosamine-bepaling : geglyceerde (versuikerde) eiwitten in het bloedplasma (vloeistof in het bloed) over een periode van 2-4 weken.
Fructose : bouwsteen van koolhydraten, komt ook voor als fructose zelf in fruit.
Galactose : bouwsteen voor koolhydraten.
Gamma-gt-bepaling : zegt iets over de leverfunctie.
Geglycosyleerd hemoglobine onderzoek : een onderzoek waarbij het gemiddelde suiker (glucose-)gehalte in de periode van 2-3 maanden, voorafgaande aan het onderzoek, gemeten kan worden.
Genen : dragers van erfelijke factoren. Opgebouwd uit DNA, een chemische stof die bepaalt wat de cel doet en wanneer.
Gestoorde glucosetolerantie : het suiker (glucose-)gehalte van het bloed is verhoogd, maar niet zo erg als bij diabetes. Hoewel sommige mensen bij het onderzoek een duidelijk te hoog bloedsuikergehalte hebben, ontwikkelen zij toch geen diabetes. Er bestaat wel een verhoogde kans op het krijgen van diabetes.
Glipizide : een medicament dat de bloedglucosewaarde verlaagt. Alleen geschikt in sommige gevallen van niet insuline-afhankelijke diabetes.
Glucagon : hormoon dat wordt gemaakt in de Alfa-cellen van de Eilandjes van Langerhans. Verhoogt de bloedglucosewaarde.
Glucagon kan ook als medicijn worden ingespoten bij een lage bloedglucosewaarde. Het maakt dan glucose vrij uit de reserve-voorraad.
Glucogeen : de opgeslagen reservevoorraad glucose in lever- en spiercellen.
Glucose : suikerdeeltje. Wordt door de spijsvertering uit koolhydraten gehaald. Komt via de darmwand in het bloed: bloedglucose.