Diabete : Informatie centrum, Glossary (BD Medical/Diabetes Care)
 


diabetes support



  • eiwitten

  • vetten

  • alvleesklier

  • aceton

  • glucose

  • diabeet

  • bloedglucosewaarde





  • eiwitten, vetten, fructose, adrenaline, angiopathie, alvleesklier, aceton

      
    Home > Informatie centrum > Glossary
    Glossary  Back
     
    A-B-C-D-E-F-G-H-I-J-K-L-M-N-O-P-Q-R-S-T-U-V-W-X-Y-Z


    - A -
    Begin

    Acesulfaam : calorievrije zoetstof.

    Aceton : chemische verbinding die in het bloed wordt gevormd als het lichaam in plaats van glucose vet verbruikt om energie te vormen. Duidt op een tekort aan insuline of op het onvermogen van de cellen om de aanwezige insuline te gebruiken. De afvoer van aceton gaat via de urine. Wanneer het acetongehalte in het bloed te hoog is, ruikt de adem en de urine naar aceton.

    Acuut : snel, binnen korte tijd ontstaand.

    Adipositas : zie obesitas.

    Adrenaline : hormoon uit het bijniermerg. Verhoogt (doorgaans) de bloedglucosewaarde. Adrenaline zorgt ervoor dat glucose door de lever aan de bloedbaan wordt afgestaan. Adrenaline heeft ook invloed op de hartslag (wordt sneller) en de bloeddruk (wordt hoger). Adrenaline komt vrij in stress-situaties.

    Albuminurie : abnormaal verlies van het eiwit albumine in de urine. Albuminurie kan een aanwijzing zijn voor een nieraandoening, zoals bij diabetes kan voorkomen.

    Albuminuriebepaling : bepaling van eiwit in de urine.

    Alfa-cellen : komen voor in de alvleesklier. Onderdeel van de Eilandjes van Langerhans. Maken het hormoon glucagon en geven dit af aan het bloed.

    Alvleesklier : pancreas, langwerpig orgaan dat onder meer insuline maakt. Bevindt zich in de buikholte onder de maag.

    Alpha-glucosidase remmers : medicijnen die de opname van glucose in de darm vertragen, waardoor de bloedglucosestijging na een maaltijd vermindert.

    Aminozuren : bouwstenen van eiwitten. Het zijn de belangrijkste bestanddelen van de lichaamscellen. Insuline is opgebouwd uit 51 onderling verbonden aminozuren.

    Angiopathie : afwijking aan de bloedvaten. Komt voor bij mensen die al langere tijd diabetes hebben. Er bestaat micro- en macro-angiopathie.

    Antilichamen(OMS) : eiwitten die door het lichaam worden gemaakt ter bescherming tegen vreemde stoffen. Bij diabetes worden soms antilichamen tegen toegediende insuline gemaakt. Deze antilichamen kunnen de goede werking van deze insuline verhinderen en kunnen in die gevallen allergische of andere ongunstige reacties veroorzaken.

    Antistoffen : stoffen die aangemaakt worden door het afweersysteem.

    Arterie : slagader; een groot bloedvat dat het bloed naar het hart en andere delen van het lichaam vervoert. Hebben een stevige elastische wand.

    Arteriosclerose : slagaderverkalking.

    Arthopathie : wijst op de naam van een ziekte van het gewricht. Arthopatrie ontstaat bij diabeten meer door een veranderde stand van het voetgewricht dan dat er sprake is van een echte ziekte.

    Aspartaam : kunstmatige vloeibare zoetstof. Wordt gebruikt in plaats van suiker. Bevat geen calorieën.

    Asymptomatisch : geen duidelijke tekenen die wijzen op een ziekte.

    Atherosclerose : aderverkalking. Vernauwing van de holte van de slagaderen. Vet en andere stoffen verzamelen zich in de grote en middelgrote aderen. Daardoor wordt de vaatwand beschadigd. De vetopeenhoping vertraagt de bloedstroom. Kan voorkomen bij langdurige diabetes.

    Auto-immuunziekete : ziekte dit ontstaat als het afweersysteem van het lichaam de eigen, goede cellen kapot maakt.

    Auto-transplantatie : het eerst wegnemen en vervolgens weer terugplaatsen van hetzelfde orgaan.

    - B -
    Begin

    Bètablokkers : medicijnen die gebruikt worden bij o.a. hoge bloeddruk en angina pectoris. Zij kunnen het herstel van een hypo vertragen (met name bij insulinegebruikers) en ervoor zorgen dat men een optredende hypo niet voelt aankomen.

    Bètacellen : cellen die insuline maken. Onderdeel van de Eilandjes van Langerhans in de alvleesklier.

    Biguaniden : medicijnen die de lichaamscellen gevoeliger maken voor insuline (type 2 diabeten). Vooral geschikt bij een te hoog lichaamsgewicht. Veroorzaken géén hypo's. Voorbeeld is onder meer metmorfine (Glucophage).

    Bijnieren : organen (2), die op de nieren liggen. De bijnieren vormen verschillende hormonen, waaronder adrenaline.

    Bijwerking : onbedoelde, soms schadelijke nevenwerking van een medicament.

    Biosynthetische humane insuline : een kunstmatige insuline, bereid via de recombinat DNA-technologie, waarvan de structuur identiek is aan die van menselijke insuline.

    Bloeddruk : de druk van het bloed op de arteriewanden. Er worden altijd twee drukhoogten gemeten. De systolische druk, de hoogste, die ontstaat wanneer het hart bloed uitpompt en de diasystolische, die ontstaat wanneer het hart ontspant.
    Bij een bloeddrukmeting van 120/80 is 120 de systolische en 80 de diasystolische waarde. Een bloeddruk van 120/80 is normaal. Hoge bloeddruk kan tot gezondheidsproblemen leiden, zoals een hartinfarct en hersenbloeding.

    Bloedglucose : onmisbare brandstof voor de cellen van het lichaam. Het bloed zorgt voor het transport van glucose. De hoeveelheid glucose geeft aan of iemand diabetes heeft of niet. Bloedglucose is de belangrijkste suiker die door het lichaam word gemaakt uit de drie grondstoffen in de voeding: eiwitten, vetten en koolhydraten. Zonder hulp van insuline kan de cel de glucose niet verwerken.

    Bloedglucosebepaling : een manier om te bekijken hoeveel glucose (suiker) er in het bloed aanwezig is. Wordt uitgevoerd met behulp van een teststrookje en een bloedglucosemeter.

    Bloedglucosemeter : klein elektronisch apparaatje dat met behulp van een teststrookje en een druppel bloed de op dat moment aanwezige glucose in het bloed kan meten. Deze waarde is een momentopname. door deze waarde te weten is het mogelijk tijdig passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat een hypo of hyper optreedt.
    Bloedglucosemeters zijn er in verschillende uitvoeringen en merken.

    Bloedglucosewaarde : Waarde van de hoeveelheid glucose in het bloed. Normaalwaarde ligt tussen 4 en 8 mmol/l of tussen 72 mg/dl en 144 mg/dl. Bij een diabeet spreken we van een goede waarde als deze tussen 4 en 10 mmol/l of tussen 72 mg/dl en 180 mg/dl ligt.

    Bloedsuiker : zie bloedglucose.

    Body Mass Index : zie quetelet index.

    Borderline diabetes : situatie waarin wel of geen insuline nodig is. In feite is dit een gestoorde glucose tolerantie.

    Brittle diabetes : zie instabiele diabetes.

    - C -
    Begin

    Calorie : eenheid van energie. Voedsel levert energie in de vorm van calorieën. Sommige voedingsstoffen bevatten meer calorieën dan andere. Bij diabetes wordt geadviseerd voor iedere (tussen)maaltijd een bepaalde, vastgestelde hoeveelheid calorieën te gebruiken.

    Capillair : het kleinste type bloedvat (haarvat) in het lichaam. De wanden van capillairen zijn zo dun dat zuurstof en glucose deze wand kunnen passeren en de cel binnendringen. Afvalproducten zoals koolzuur, kunnen vanuit de cel capillair binnenkomen om vervolgens met het bloed te worden afgevoerd en uiteindelijk uit het lichaam verwijderd te worden.
    Bij mensen die lang diabetes hebben kunnen de capillairen verzwakken, vooral in de nieren en het netvlies van het oog.

    Carpale tunnel syndroom : het carpale tunnel syndroom is een afwijking die berust op een beknelling van een zenuw in de pols. In de pols is een ruimte die carpale tunnel wordt genoemd. Hierdoor lopen een belangrijke zenuw (de medianus zenuw) en 9 pezen van de onderarm naar de hand. Het carpale tunnel syndroom ontstaat wanneer in deze ruimte drukverhoging en zwelling optreden. Dan neemt de druk op de zenuw toe, met klachten als een verdoofd gevoel, tintelingen en pijn in de hand. diabetespatiënten hebben een verhoogde kans op het krijgen van dit syndroom.

    Charcotvoet : verandering van de gewrichtsstand in de voet door diabetes. Is alleen aan te tonen met behulp van röntgenstraling. Hierbij is hulp van een orthopedisch chirurg noodzakelijk.

    Chloorpropamide : een medicament dat het bloedglucosegehalte in het bloed verlaagt. Alleen geschikt voor sommige patiënten met niet-insuline afhankelijke diabetes.

    Cholesterol : vetachtige stof in het bloed en in verschillende weefsels.
    Cholesterol komt voor in de voeding (vetten). Het lichaam maakt ook zelf cholesterol en heeft er ook behoefte aan. Een teveel aan cholesterol kan zich hechten aan de vaatwanden, waardoor een groter risico bestaat op hart- en vaatziekten.

    Chronisch : gedurende lange tijd aanwezig. Diabetes is een chronische ziekte.

    Coma : toestand van bewusteloosheid. Kan worden veroorzaakt door een te laag of een zeer hoog glucosegehalte van het bloed.

    Cornea : hoornvlies (oog).

    Cortisol : hormoon uit de bijnierschors. Verhoogt de bloedglucosewaarde.

    C-peptide : stof die door de alvleesklier in even grote hoeveelheden als insuline aan het bloed wordt afgegeven. Door het c-peptide gehalte te bepalen kan worden gecontroleerd hoeveel insuline door het lichaam wordt gemaakt. Uit dit gehalte blijkt of iemand met insuline moet worden behandeld of niet.

    Creatinine : stof die ontstaat bij de spierafbraak. Door bepaling van het creatinine-gehalte in het bloed en de urine kan onderzocht worden of de nieren goed functioneren. Dit wordt de creatinine clearence genoemd.

    Cyclamaat : kunstmatige zoetstof. Wordt gebruikt in plaats van suiker.

    - D -
    Begin

    Dageraad of Dawn-fenomeen : het oplopen van de bloedsuikerwaarden in de vroege ochtenduren, ondanks een constante insuline-hoeveelheid in het bloed. Het lichaam maakt dan meer bloedglucose aan (uit de lever), dan nodig is.

    Dehydratie : tekort aan lichaamsvocht. Het hebben van een te hoog bloedsuikergehalte in het bloed veroorzaakt een groot verlies van vocht en suiker in de urine.

    Dendritische cellen : voor het afweersysteem belangrijke spioncellen.

    Dextrose : glucose (suiker) in het bloed. De belangrijkste energiebron van het lichaam.

    Diabeet : een persoon met diabetes (suikerziekte).

    Diabetes : er zijn twee typen diabetes,1 en 2 (zie type 1 en type 2). Zie ook: Wat is diabetes?

    Diabetes dagboek : een Diabetes dagboek wordt gebruikt om de gevonden bloedsuikerwaarden, de hoeveelheid gespoten en soorten insuline en eventuele bijzonderheden, zoals bijvoorbeeld ziekte, te veel eten, extra beweging e.d., in op te schrijven. Een goed hulpmiddel bij het overleg met de arts of diabetesverpleegkundige.

    Diabetes gravidarum : zie zwangerschapsdiabetes.

    Diabetes insipidus : Dit is géén diabetes mellitus (suikerziekte). Het wordt ook wel water-diabetes genoemd. Oorzaak en behandeliing verschillen enorm. Diabetes betekent doorstroming. Verschillende symptomen zijn gelijk aan die van diabetes mellitus.
    Patiënten met diabetes insipidus hebben een enorme grote productie van urine, zijn dorstig en hongerig en tonen zwakteverschijnselen.

    Diabetes mellitus : betekent letterlijk 'honingzoete doorstroming'. Diabetes is een energiestofwisselingsstoornis, veroorzaakt door een tekort aan het hormoon insuline of door een storing in de doelorganen. Zie ook de pagina: Wat is diabetes?

    Diabetespas : een 'paspoort' waarin de arts de gevonden waarden bij het periodieke en jaarlijkse onderzoek noteert en waarin alle te verrichten onderzoeken staan vermeld. Een hulpmiddel voor de diabeet en arts. Zie ook De Diabetespas.

    Diabetogeen : diabetes veroorzakend. Sommige geneesmiddelen en virussen kunnen diabetogeen zijn.

    Diabetoloog : een internist, gespecialiseerd in het onderzoek naar en de behandeling van diabetes.

    Diureticum : een medicament dat ervoor zorgt dat extra vocht uit het lichaam wordt verwijderd; plastablet. Wordt gebruikt bij de behandeling van hoge bloeddruk en oedemen.

    Di-sacchariden : koolhydraten, bestaande uit 2 deeltjes, bijvoorbeeld één deeltje glucose en één deeltje fructose.

    DNA : erfelijk materiaal dat in alle dierlijke- en plantaardige cellen aanwezig is en dat de cellen opdracht geeft hoe te functioneren en wanneer.

    DVN : Diabetesvereniging Nederland.
    Zie ook bij onderwerp DVN.

    - E -
    Begin

    Eenheid : internationaal vastgestelde basishoeveelheid insuline. In Nederland wordt voor mensen gebruikt 100IE per ml. Dat wil zeggen: 100 eenheden insuline per milliliter (cc) oplossing. Insuline voor dieren kent een concentratie van 40IE per milliliter.

    Eilandjes van Langerhans : groepen cellen in de pancreas of alvleesklier. Bevat o.a. de bèta-cellen in de alvleesklier en ook cellen die glucagon maken.
    Deze hormonen beïnvloeden de afbraak en opname van voedingsstoffen. De eilandjes zijn ontdekt in 1869 ontdekt door de Duitser Langerhans. De cellen vormen kleine groepjes in de alvleesklier.

    Eiwitten : voedingsstof die in het lichaam tot brandstof en 'reparatiemateriaal' wordt verwerkt. Eiwitten zitten onder andere in zuivel, vlees en vis.

    Encapsulatie : het inkapselen, dus voorzien van een kapseltje.

    Endocriene klieren : klieren die hormonen produceren en in de bloedbaan brengen. Zij beïnvloeden o.a. de werking van de voedingsstoffen door het lichaam. Ook andere lichaamsfuncties worden beïnvloed. De alvleesklier is een voorbeeld van een endocriene klier. Deze produceert insuline, waarmee het lichaam glucose kan omzetten in energie.

    Enzymen : eiwitten die de chemische processen in het lichaam beter en sneller doen verlopen. Ieder enzym heeft als regel een eigen chemische taak, bijvoorbeeld het bevorderen van de omzetting van zetmeel in glucose.

    Euglycemie : toestand waarbij het glucosegehalte in het bloed normaal is (= normoglycemie).

    Exocrien weefsel : weefsel in de pancreas dat spijsverteringssappen maakt.

    - F -
    Begin

    Fructosamine-bepaling : geglyceerde (versuikerde) eiwitten in het bloedplasma (vloeistof in het bloed) over een periode van 2-4 weken.

    Fructose : bouwsteen van koolhydraten, komt ook voor als fructose zelf in fruit.

    - G -
    Begin

    Galactose : bouwsteen voor koolhydraten.

    Gamma-gt-bepaling : zegt iets over de leverfunctie.

    Geglycosyleerd hemoglobine onderzoek : een onderzoek waarbij het gemiddelde suiker (glucose-)gehalte in de periode van 2-3 maanden, voorafgaande aan het onderzoek, gemeten kan worden.

    Genen : dragers van erfelijke factoren. Opgebouwd uit DNA, een chemische stof die bepaalt wat de cel doet en wanneer.

    Gestoorde glucosetolerantie : het suiker (glucose-)gehalte van het bloed is verhoogd, maar niet zo erg als bij diabetes. Hoewel sommige mensen bij het onderzoek een duidelijk te hoog bloedsuikergehalte hebben, ontwikkelen zij toch geen diabetes. Er bestaat wel een verhoogde kans op het krijgen van diabetes.

    Glipizide : een medicament dat de bloedglucosewaarde verlaagt. Alleen geschikt in sommige gevallen van niet insuline-afhankelijke diabetes.

    Glucagon : hormoon dat wordt gemaakt in de Alfa-cellen van de Eilandjes van Langerhans. Verhoogt de bloedglucosewaarde.
    Glucagon kan ook als medicijn worden ingespoten bij een lage bloedglucosewaarde. Het maakt dan glucose vrij uit de reserve-voorraad.

    Glucogeen : de opgeslagen reservevoorraad glucose in lever- en spiercellen.

    Glucose : suikerdeeltje. Wordt door de spijsvertering uit koolhydraten gehaald. Komt via de darmwand in het bloed: bloedglucose.

    Glucosesensor : apparaatje dat zelfstandig de bloedglucosewaarde meet.

    Glucosetolerantie : de mate waarin het lichaam de aangeboden glucose verwerkt. Is de glucosetolerantie gestoord, dan ontstaat een verhoogd bloedglucosegehalte.

    Glucosurie : glucose die in de nieren terecht komt omdat deze onvoldoende in het bloed kan worden opgenomen. Het gedeelte van de glucose dat door de nieren (= boven de nierdrempel) wordt uitgescheiden wordt glucosurie genoemd.
    Zie ook: nierdrempel.

    Glycemische index : is de snelheid van het omzetten van koolhydraten in glucose (in de darmen) en opname in het bloed.

    Glycerol : komt vrij bij de afbraak van vet in het lichaam. Kan als brandstof dienen.

    Glycogeen : reservevoorraad glucose in de lever en de spieren.

    Groeihormoon : hormoon dat wordt gemaakt in de hypofyse (hersenaanhangsel). Verhoogt de bloedglucosewaarde.

    GTT : Glucose Tolerantie Test. Wordt, hoeveel niet vaak meer, nog wel gebruikt als er twijfel is of er sprake is van diabetes, vooral bij type 2 diabeten.
    De test bestaat uit een meting van een nuchtere bloedglucose, daarna toediening van koolhydraten en na een periode van 2 uur weer opnieuw meten van de bloedglucose, weer toedienen van koolhydraten en opnieuw meten.

    - H -
    Begin

    HbA1c/GHb-bepaling : geglyceerde (versuikerde) eiwitten in de hemoglobine, rode kleurstof van het bloed. Geeft de gemiddelde bloedglucosewaarde over een periode van 8 - 10 weken.

    Hdl : 'goed' cholesterol.

    Hemoglobine : stof in de rode bloedcellen die zuurstof bindt.

    HLA-genen : erfelijke onderdelen van het afweersysteem.

    Honeymoonfase : komt alleen voor bij type 1 diabeten. Het is de periode waarin, nadat met de behandeling van diabetes is begonnen, het lichaam voor een korte periode (variërend van 3 weken tot 1 jaar) zelf weer genoeg insuline aanmaakt, waardoor toediening van insuline van buitenaf niet meer nodig is.
    Dit wordt veroorzaakt doordat de alvleesklier door het toedienen van de insuline, direct na de diagnose diabetes, rust krijgt en daardoor weer iets beter gaat functioneren. De grens waarbij diabetes wordt geconstateerd ligt op ongeveer 30% van de totale productie. Net als bij andere organen heeft het lichaam de nodige reserve ingebouwd. Tijdens de honeymoonfase komt de eigen productie weer even boven die grens.

    Hormonen : stoffen die regelend werken bij belangrijke lichaamsprocessen.

    Huidplooitechniek : bepaalde techniek om een subcutane injectie toe te dienen. Door een huidplooi op te pakken (bijvoorbeeld op de buik) ontstaat een kleine ruimte tussen de huid en de spieren. Door de injectienaald onderaan de huidplooi door de huid te prikken, kan de insuline tussen huid en spieren worden geïnjecteerd.

    Hyper(glycemie) : te hoge bloedglucosewaarde (hoger dan 10 mmol/l of 180 mg/dl).
    Zie ook: hypo's en hypers.

    Hyperinsulinisme : het insulinegehalte in het bloed is te hoog. Kan optreden als het lichaam teveel insuline maakt of als er teveel insuline is gespoten. Teveel insuline leidt tot een daling van de bloedglucosewaarden tot een te lage waarde. Zie ook: hypoglycemie.

    Hyperlipidemie : het bloed bevat teveel vetten (lipiden). Komt bijvoorbeeld voor bij een ontregelde diabetes.

    Hypertensie : hoge bloeddruk.

    Hypoglycemia unawareness : het minder goed aanvoelen van hypoglycemieën.

    Hypo(glycemie) : Te lage bloedglucosewaarde (lager dan 4 mmol/l of 72 mg/dl). Meestal worden hiermee vooral de erbij behorende klachten bedoeld.
    Zie ook: hypo's en hypers.

    - I -
    Begin

    IADM : Insuline-afhankelijke diabetes mellitus.

    Immunosuppressiva : geneesmiddelen die afstotingsreacties tegengaan door het afweersysteem als het ware stil te leggen.

    Immuunsysteem : afweersysteem.

    Impotentie : verlies van vermogen tot peniserectie en/of zaadlozing. Sommige mannen met langdurige diabetes worden impotent omdat de zenuwbanen beschadigd raken.

    Injectie : vloeistof in het lichaam brengen door middel van een naald en een spuit. Insuline gebruikende diabeten injecteren (spuiten) de insuline door de naald in het onderhuidse weefsel te steken (= subcutaan). Twee andere manieren van injecteren zijn: intraveneus (in een bloedvat) en intramusculair (in een spier).

    Injectieplaatsen : plaatsen op het lichaam waar de insuline het makkelijkst kan worden gespoten zijn:
    • de bovenarmen
    • de bovenbenen
    • de buik
    • de billen

    Regelmatig wisselen van injectieplaatsen wordt aanbevolen. Gebruik steeds hetzelfde lichaamsdeel op hetzelfde tijdstip van de dag, waarbij het niet uitmaakt in welke arm, bil, de plaats op de buik of welk been wordt gespoten. Daarmee worden onderhuidse verdikkingen (= insuline- hypertrofie) en huidintrekkingen (= insuline-atrofie) voorkomen.

    Instabiele diabetes : diabetes waarbij het bloedsuikergehalte sterk schommelt van hoog naar laag en omgekeerd.

    Insuline : hormoon dat wordt gemaakt in de beta-cellen van de Eilandjes van Langerhans. Zorgt ervoor dat glucose uit het bloed de cellen in de weefsels in kan gaan en verlaagt zo de bloedglucosewaarde.

    Insuline-afhankelijke diabetes : zie type 1 diabetes.

    Insuline-atrofie : kleine huidintrekkingen tengevolge van herhaalde insuline-injecties op dezelfde plaats. Op zich een onschuldige afwijking.

    Insuline-hypertrofie : kleine bultjes tengevolge van herhaalde insuline-injecties op dezelfde plaats.

    Insulinepen : wordt gebruikt om insuline te injecteren. Is verkrijgbaar in verschillende vormen en merken, afhankelijk van het soort en merk insuline dat wordt gebruikt. Een pen is voorgevuld met insuline. De te injecteren hoeveelheid is eenvoudig in te stellen.

    Insulinepomp : apparaatje dat insuline continue en automatisch via een slangetje met een naaldje onder de huid inspuit.

    Insuline-receptoren : gebieden aan de buitenkant van een cel, waaraan insuline uit het bloed zich kan binden. Wanneer de insuline zich bindt, kan de cel de suiker (glucose) uit het bloed opnemen en omzetten in energie.

    Insuline-resistentie : het lichaam is ongevoelig geworden voor insuline. Wanneer dit het geval is, zijn hoge doses insuline nodig om een daling van het bloedsuiker (glucose-)gehalte te bewerkstelligen (200 eenheden of meer per dag). Komt voor bij diabeten die te zwaar zijn en verbetert vaak na gewichtsverlies.

    Insulinoma (Insulinoom) : een tumor van de bètacellen van de Eilandjes van Langerhans in de alvleesklier. Deze tumoren zijn gewoonlijk niet kwaadaardig, maar veroorzaken een abnormaal grote insulineproductie waardoor het bloedsuikergehalte te laag kan worden.

    Intramusculaire injectie : injectievloeistof door middel van spuit en naald direct in een spier spuiten.

    Intraveneuze injectie : injectievloeistof door middel van een spuit en naald direct in een bloedvat spuiten.

    - J -
    Begin

    Jeugddiabetes : wordt type 1 diabetes ook wel genoemd. De term werd vooral vroeger gebruikt.

    Jeuk : Bij een te hoog glucosegehalte en daardoor het optreden van glucose in de urine, neemt de kans op infecties aan de geslachtsorganen toe. Deze gaan gepaard met jeuk en bij vrouwen bovendien vaak met een verhoogde vaginale afscheiding.

    - K -
    Begin

    Keto-acidose : diabetische keto-acidose kan ontstaan wanneer het insulinegehalte van het bloed onvoldoende is door ziekte of door onvoldoende insulinetoediening. Het lichaam breekt dan de vetvoorraad af, waardoor ketonlichamen (zure afbraakstoffen) vrijkomen, zodat er teveel zuur in het bloed komt. Keto-acidose begint langzaam en neemt geleidelijk in ernst toe. Misselijkheid en braken, wat tot ernstig vochtverlies kan leiden, maagpijn en een diepe, snelle ademhaling zijn begeleidende verschijnselen.
    Moet worden behandeld met vochttoediening en insuline. Keto-acidose kan tot coma en uiteindelijk zelfs tot de dood leiden. Braken bij diabeten is altijd een reden om een arts te bellen.

    Ketonlichamen (aceton) : zie keto-acidose.

    Ketonurie : de aanwezigheid van aceton in de urine. Komt voor bij slecht ingestelde diabeten en bij ziekten. Een waarschuwingsteken voor diabetische keto-acidose.

    Ketose : de aanwezigheid en toename van ketonlichamen in de lichaamsweefsels en vloeistoffen. Misselijkheid, braken en buikpijn zijn veel voorkomende verschijnselen. Ketose kan leiden tot keto-acidose.

    Koolhydraten : voedingsstoffen. Verzamelnaam voor zetmeel, suikers, e.d.. Zit bijvoorbeeld in meelproducten, aardappelen, bananen. Maar ook in de vorm van fructose in fruit en in de vorm van lactose in melkproducten.

    - L -
    Begin

    Labiele diabetes : zie: Instabiele diabetes

    Lactose : een soort suiker (melksuiker) dat in melk en melkproducten (kaas, boter etc.) wordt aangetroffen.

    Lancet : een klein naaldje om een druppel bloed te prikken.

    Lasertherapie : een zeer sterke lichtbundel die wordt gebruikt om beschadigd weefsel te repareren. Bloedvatbeschadiging in het oog wordt wel behandeld met een laser.

    LDL : 'slecht' cholesterol.

    Lipide : vet. Reserve-energiebron voor het lichaam. Als het lichaam energie nodig heeft kunnen lipiden worden afgebroken tot vetzuren, waarbij energie vrijkomt.

    Lipo-atrofie : kleine huidintrekkingen die ontstaan wanneer steeds op dezelfde plaats insuline wordt gespoten.

    Lipodystrofie : Verdikkingen of kleine intrekkingen van de huid, die ontstaan wanneer steeds op dezelfde plaats insuline wordt gespoten. Een onschuldige afwijking die voorkomen kan worden door regelmatig van injectieplaats te wisselen.

    - M -
    Begin

    Macro-angiopathie : een afwijking van de grote bloedvaten.

    Manifeste diabetes : duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van diabetes, zoals dorst en veel plassen.

    Meervoudig onverzadigd vet : een vet van plantaardige afkomst.

    Micro-aneurysma : een zeer kleine zwelling van de wand van zeer kleine bloedvaten. Deze zwellingen kunnen beschadigen waardoor bloeding in het omliggende weefsel kan ontstaan. Diabeten kunnen in de retina van het oog micro-aneurysmata ontwikkelen.

    Micro-albuminurie : een afvalstof welke door de nieren uit het lichaam wordt verwijderd. Het is het kleinst mogelijke eiwit dat zonder beschadiging door de nieren kan. De verliezen aan albumine mogen per dag niet boven 30 mg komen.

    Micro-angiopathie : een afwijking van de kleine bloedvaten.

    Mineralen : bouwstoffen voor het lichaam.

    Mmol/l : millimol per liter is een scheikundige maat. De hoeveelheid glucose in het bloed wordt in deze maat uitgedrukt.

    Mono-sacchariden : enkelvoudige koolhydraten. Voorbeelden zijn: fructose, glucose en galactose.

    - N -
    Begin

    NDF : Nederlandse Diabetes Federatie. Is opgericht met als doel optimale diabeteszorg te bevorderen. Het is een samenwerkingsverband van de Diabetesvereniging Nederland (DVN), de European Association of Diabetes Educators (EADE, de vereniging van voornamelijk diabetesverpleegkundigen) en twee artsenorganisaties; de Nederlandse Vereniging voor Diabetes Onderzoek (NVDO, vooral een wetenschappelijke vereniging) en de Stichting Diabetes Education Study Group Nederland (DESG, verzorgt o.a. cursussen voor internisten en kinderartsen en zij die daarvoor worden opgeleid). Meer informatie over de NDF vindt u op: www.medischplein.nl.

    Nefroloog : een arts die zich heeft gespecialiseerd in het onderzoek en de behandeling van nierziekten.

    Nefropathie : ziekte van de nieren ten gevolge van de beschadiging van de kleine bloedvaten of van de kleine uitscheidingseenheden in de nier. Bij langdurige diabetes kan nierbeschadiging ontstaan, waardoor de nierfunctie verslechtert en eiwitverlies via de urine optreedt.

    Neuroloog : een arts die zich heeft gespecialiseerd in het onderzoek en de behandeling van patiënten met aandoeningen van het zenuwstelsel.

    Neuropathie : aandoening van het zenuwstelsel. Komt vaak voor bij langdurige diabetes. Deze beschadiging van de zenuwen kan overal in het lichaam voorkomen maar wordt vooral in de onderste ledematen aangetroffen: pijn in benen en voeten, tintelingen en een dood gevoel. Dit wordt perifere neuropathie genoemd.
    Daarnaast kunnen ook andere vormen van gestoorde zenuwfuncties voorkomen zoals: dubbel zien, diarree, blaasparalyse (-verlamming) en stoornissen in het seksueel functioneren, zowel bij mannen als bij vrouwen ontstaan.

    Nicotinamide : vitamine B3.

    Nierdrempel : hoogte van de bloedglucosewaarde, waarbij de nieren nog (net) geen glucose uit het bloed verwijderen.

    Niet-insuline afhankelijke diabetes : type 2 diabetes. Deze vorm van diabetes komt het meeste voor.
    Zie ook: Wat is diabetes?

    Normoglycemie : toestand waarbij het glucosegehalte (suikergehalte) van het bloed normaal is (tussen 4 en 8 mmol/l of tussen 72 mg/dl en 144 mg/dl), ook wel euglycemie genoemd. Bij mensen met diabetes moet het bloedglucosegehalte het liefst tussen 4 en 10 mmol/l of tussen 72 mg/dl en 180 mg/dl liggen.

    Nuchtere bloedglucosebepaling : met deze test is vast te stellen of iemand diabetes heeft. Het bloedmonster wordt 's morgens voor het ontbijt afgenomen. Normaal is een waarde tussen 4 en 7 mmol/l of tussen 72 mg/dl of 126 mg/dl.

    - O -
    Begin

    Obesitas : vetzucht. Een overmaat van 20% vet of meer. Een overmaat aan lichaamsvet vormt een extra risico voor diabetespatiënten. Wordt ook wel adipositas genoemd.

    Oedeem : zwelling, verdikking van bepaalde lichaamsdelen, bijvoorbeeld de enkels. Wordt veroorzaakt door de opeenhoping van vocht.

    Onverzadigde vetten : soort vet, zie: vetten.

    Orale bloedglucose verlagende middelen : tabletten of capsules die het bloedglucosegehalte kunnen verlagen. Er zijn twee groepen tabletten. De ene soort zorgt voor een grotere productie van insuline door de alvleesklier, de andere soort zorgt ervoor dat de insuline-gevoeligheid wordt verbeterd.

    Ouderdoms-diabetes : oude naam voor type 2 diabetes.

    - P -
    Begin

    Pancreas of alvleesklier : orgaan in de buikholte achter de maag, dat o.a. spijsverteringssappen en de hormonen insuline en glucagon maakt.

    Pancreatitis : ontsteking van de alvleesklier. Is pijnlijk. De werking van de alvleesklier kan daardoor ernstig verstoord raken. Pancreatitis kan worden veroorzaakt door alcohol (komt het meeste voor), galstenen en een virus (de bof).

    Peridentitis : tandvleesklierontsteking. Diabeten hebben vaker tandvleesproblemen dan anderen.

    Podotherapeut : is gespecialiseerd in voetverzorging. Diabeten hebben vaker problemen dan anderen.

    Polydipsie : abnormaal grote dorst gedurende langere tijd en daardoor voortdurend abnormaal veel drinken. Een aanwijzing voor diabetes.

    Polyfagie : abnormaal grote eetlust gedurende een langere periode. Polyfagie met desondanks vermagering is één van de kenmerken van diabetes.

    Polyurie : vaak en veel moeten plassen (een van de kenmerken van diabetes)

    Proteïne : eiwit. Een van de drie bestanddelen waaruit het voedsel is opgebouwd (eiwitten, vetten, koolhydraten).

    Proteïnurie : eiwitverlies in de urine. Een van de kenmerken van de diabetische nefropathie.

    - Q -
    Begin

    Quetelet-index : maat voor lichaamsgewicht (gewicht in kilo's delen door kwadraat van de lengte in meters). Bij een goed gewicht is de uitkomst tussen 20 en 25.

    - R -
    Begin

    Receptoren : gebieden aan de buitenkant van de cellen waaraan bijvoorbeeld de insuline in het bloed zich kan binden.

    Regulatie : voor diabeten: het onder controle houden van de aandoening door behandeling met een dieet en/of medicijnen en het zorgen voor een balans tussen voeding, insuline en energieverbruik.

    Retina : het netvlies. Het lichtgevoelige gedeelte achterin het oog. Bij langdurige diabetes kunnen de kleine bloedvaatjes in de retina beschadigd raken.

    Retinopathie : afwijkingen aan de ogen (het netvlies), zoals die onder andere bij diabetes voorkomen.

    - S -
    Begin

    Sacchariden : andere naam voor koolhydraten.

    Saccharine : kunstmatige zoetstof. Bevat geen calorieën.

    Secundaire diabetes : diabetes tengevolge van een andere ziekte (van de alvleesklier bijvoorbeeld) of tengevolge van het gebruik van bepaalde medicamenten of chemische stoffen.

    Somogiy-effect : effect dat na een zeer lage bloedsuikerwaarde (hypo) een zeer hoge waarde optreedt (hyper). Ontdekt door Michael Somogiy, Amerikaans biochemicus.

    Sorbitol : een suiker dat door het lichaam langzaam wordt verwerkt. Wordt veel gebruikt in speciale voedingsmiddelen voor diabetici en suikervrije snoep. Bevat 4 calorieën per gram (= gelijk aan tafelsuiker of zetmeel).

    Subcutane injectie : injecteren van vloeistof in het onderhuidse weefsel met behulp van een naald en een spuit.

    Sucrose : een bepaalde suiker die tot een eenvoudige suiker moet worden afgebroken, voordat het in het bloed en vervolgens in de cellen kan komen.

    Suikers : zoet smakende koolhydraten, Suiker kan snel en gemakkelijk worden omgezet in energie. Voorbeelden van suikers zijn: lactose, glucose, fructose en sucrose.

    Suikerziekte : Nederlandse naam voor diabetes mellitus.

    Sulfonylureum(derivaten) : medicijnen die de alvleesklier stimuleren zo mogelijk meer insuline te maken (voor type 2 diabeten). Waarschijnlijk wordt ook de werking van insuline in de weefsels bevorderd. Voorbeelden: glibenclamide, gliclazide, glimeperide, tolbutamide.

    Syndroom X : zie: Insulineresistentie.

    - T -
    Begin

    Teststrip : stripje waarmee, met behulp van een bloedglucosemeter, zelfstandig de hoogte van de actuele bloedglucosewaarde kan worden bepaald.

    Tolbutamide : bloedsuikerverlagend tablet.

    Triglyceride : vetdeeltje in het bloed. Insuline beïnvloedt de aanmaak en afbraak van triglyceriden. Bij een goed gecontroleerde diabetes en een normaal lichaamsgewicht is het triglyceride-gehalte van het bloed gewoonlijk normaal.

    Type 1 diabetes : Insuline Afhankelijke Diabetes Mellitus (IADM). Engels: Insulin Dependent Diabetes Mellitus (IDDM). Kan alleen worden behandeld met insuline. Ook wel jeugddiabetes of -suiker genoemd. Zie ook: Wat is diabetes?

    Type 2 diabetes : Niet Insuline Afhankelijk Diabetes Mellitus (NIADM). Engels: Non Insulin Dependent Diabetes Mellitus (NIDDM). Soort diabetes, waarbij behandeling met alleen dieet, of met dieet en tabletten mogelijk is. In een later stadium is vaak ook behoefte aan het inspuiten van insuline. Ook wel ouderdomsdiabetes of -suiker genoemd.
    Zie ook: Wat is diabetes?

    - U -
    Begin

    Ulcus : een zweer, die moeilijk geneest. Diabetici krijgen gemakkelijk een ulcus na een kleine verwonding, met name aan de benen en voeten, vooral bij slecht passend schoeisel waarbij wrijfwondjes ontstaan.
    Zie ook de pagina: Voetverzorging.

    Ulreum : een afvalstof van het lichaam. Bij de spijsvertering wordt een gedeelte van het voedsel benut en het restant als schadelijke afvalstof verwijderd. De nieren spelen hierbij een belangrijke rol, ureum wordt via de nieren uitgescheiden.

    Uroloog : arts die zich toelegt op onderzoeken en de behandeling van de nieren en urinewegen en bij mannen van de geslachtsorganen.

    - V -
    Begin

    Vasculopathie : afwijkingen aan de grote (macro) en kleine (micro) bloedvaten, zoals die onder andere bij diabetes kunnen voorkomen.

    Vermoeidheid : vermoeidheid is een van de eerste verschijnselen omdat doordat de cellen onvoldoende glucose opnemen, de vorming van energie verstoord raakt. De spieren worden slap en raken snel vermoeid. Mensen bij wie dit het geval is klagen erover dat ze 's morgens bij het opstaan meer vermoeid zijn dan 's avonds.

    Vetten : voedingsstoffen die brandstof leveren voor het lichaam, maar ook isolatiemateriaal. Er bestaan verzadigde (slechte) en onverzadigde (neutrale) en meervoudig onverzadigde (goede) vetten.
    Goede vetten stollen niet of worden niet hard in de koelkast (verpakt in een kuipje of een fles). Slechte vetten stollen wel of zijn hard (vaak verpakt in een papieren wikkel).
    Goede vetten kunnen het cholesterol iets omlaag brengen, neutrale vetten hebben geen invloed en slechte vetten zorgen voor een verhoging van het cholesterolgehalte in het bloed.
    Vetten zitten niet alleen in margarine en boter, maar ook in worstsoorten, noten, chocolade (ook suikervrije chocolade) en vele andere producten.

    Vetzuren : bouwstenen van vetten, kunnen als brandstof dienen. Het lichaam produceert dan echter ook ketonlichamen: schadelijke afvalstoffen die het zuurgehalte van het bloed te hoog maken. Dit kan overgaan in keto-acidose.

    Vitaminen : stoffen die het lichaam nodig heeft om goed te kunnen werken. Vitaminen hebben een ondersteunende functie.

    Voeding : uitgangspunt van de voeding bij diabetes is een gezonde en evenwichtige voeding, zoals die geldt voor iedereen.

    - W -
    Begin

    Water : transportmiddel voor voedingsstoffen, maar ook voor afvalstoffen.

    - X -
    Begin

    Xeno-transplantatie : het transplanteren van organen die niet afkomstig zijn van de mens.

    - Z -
    Begin

    Zelfcontrole : het zelf controleren van de bloedglucosewaarde.

    Zelfregulatie : het zelf nemen van maatregelen om de bloedglucose binnen de juiste waarden te houden.

    Zwangerschapsdiabetes : een vorm van diabetes die optreedt tijdens de zwangerschap (na de 20e week), maar na de geboorte van het kind meestal weer verdwijnt. Wordt ook wel Diabetes Gravidarum genoemd. Als de zwangerschap normaal verloopt daalt de nuchtere bloedsuikerspiegel. Na het eten stijgt de bloedglucosespiegel doordat de insuline minder goed werkt. Dit is een normaal proces dat nodig is om de baby voldoende glucose te geven voor zijn energie en vetopslag.

    U kan deze glossary ook raadplegen op www.dvndenhaag.nl/alfabet.html

    Diabetes in het dagelijkse leven, Ziekte

    Diabetes in het dagelijkse leven, Zwangerschap

    Diabetes in het dagelijkse leven, Sport

    Nieuws, Exenatide maakt pancreas bij diabetes type 2 weer actief

    Starten met diabetes ( tot 12 jaar), Wat is een hypo ?

    Nieuws, Softdrinks verhogen kans op diabetes

    Nieuws, Onderhuidse sensor geeft bloedglucosewaarden weer

    Handige tips, Dieet

    BD, BD Logo en alle andere merknamen zijn - tenzij anders vermeld - eigendom van Becton, Dickinson and Company. © 2005 BD